|
Visie op jeugd
De onderstaande negen stellingen gaan over de visie op jeugd.
|
|
| Stellingen |
Eens |
Oneens |
Geen mening |
| 1. Jeugd hoort te spelen, niet te participeren |
|
|
|
| 2. De meerderheid van de jeugd is een ongeleid projectiel |
|
|
|
| 3. Jeugd, hoe jong ook, heeft een mening over hun leefomgeving en onderwerpen die hen aangaan |
|
|
|
| 4. De mening van de jeugd is minder belangrijk dan de mening van volwassenen |
|
|
|
| 5. Jeugdparticipatie kan ingezet worden bij jeugd van jongsaf aan |
|
|
|
| 6. Elke doelgroep (allochtonen, meiden, jongens, etc) heeft recht op zijn eigen vorm van jeugdparticipatie |
|
|
|
| 7. De jeugd moet zelf kunnen aangeven hoe zij wil participeren |
|
|
|
| 8. Jeugd wil actie, snelheid, dingen doen, resultaten zien en vooral: geen vaste (vergader)structuur |
|
|
|
| 9. Als de jeugd, op uw verzoek, hun mening geeft, is het terecht dat ze verwachten dat er iets met hun ideeën gebeurt |
|
|
|
|
Belang van participatie
De onderstaande elf stellingen gaan over het belang van participatie.
|
| Stellingen |
Eens |
Oneens |
Geen mening |
| 1. Jeugd, hoe jong ook, heeft recht op informatie |
|
|
|
| 2. Jeugd, hoe jong ook, moet naar zijn/haar mening worden gevraagd |
|
|
|
| 3. Participatie zit niet in je genen, je moet het dus zo jong mogelijk leren |
|
|
|
| 4. Nog te vaak worden beslissingen genomen over de jeugd zonder met hen in gesprek te gaan |
|
|
|
| 5. Jeugdparticipatie begint bij de jeugd zelf |
|
|
|
| 6. Jeugdparticipatie gaat niet alleen over meepraten, maar ook over meebeslissen |
|
|
|
| 7. Jeugdparticipatie is geen doel op zich, maar enkel een instrument voor andere doelen ( bijv. het plaatsen van een speelvoorziening) |
|
|
|
| 8. Participatie vormt de basis voor nieuwe ontwikkelingen |
|
|
|
| 9. Jeugdparticipatie verdient een structurele plek binnen elke organisatie |
|
|
|
| 10. Jeugdparticipatie is een continu proces dat een blijvende investering in tijd, energie en geld vereist |
|
|
|
| 11. Reële ideeën die door jeugd aangedragen worden, moeten op korte termijn worden uitgevoerd |
|
|
|
|
De aanpak
De onderstaande vijf stellingen en zes vragen gaan over de aanpak om jeugdparticipatie vorm te geven.
|
| Stellingen |
Eens |
Oneens |
Geen mening |
| 1. Het is aan volwassenen om een situatie te creëren waarin de jeugd kan leren om te participeren |
|
|
|
| 2. De jeugd heeft het recht om aan te geven welke begeleiding ze wil en nodig heeft om te participeren |
|
|
|
| 3. Jeugd wil actie, snelheid, dingen doen, resultaten zien en vooral: geen vaste (vergader)structuur |
|
|
|
| 4. Charisma en overtuigingskracht van de begeleider zijn bepalend voor een geslaagd participatietraject |
|
|
|
| 5. Zodra je jeugd serieus neemt, is werving voor actieve deelname aan jeugdparticipatie nooit een probleem |
|
|
|
| Vragen |
Ja |
Nee |
Niet bekend |
| 1. Binnen onze organisatie is jeugdparticipatie een onderdeel van het beleid |
|
|
|
| 2. Onze organisatie heeft een visie op jeugdparticipatie beschreven |
|
|
|
| 3. Er zijn structureel middelen beschikbaar gesteld om jeugdparticipatie vorm te geven |
|
|
|
| 4. Onze organisatie kent een vorm van jeugdparticipatie |
|
|
|
| 5. Binnen onze organisatie is een medewerker die verantwoordelijk is voor jeugdbeleid en jeugdparticipatie |
|
|
|
| 6. Onze organisatie wil tijd en energie leveren om jeugdparticipatie structureel vorm te geven |
|
|
|
|
|